Nieuwe bezoldigingsvoorwaarde voor verlaagd vennootschapstarief

Strategica - Nieuwe bezoldigingsvoorwaarde voor verlaagd vennootschapstarief

De hervorming van de vennootschapsbelasting was één van de belangrijkste speerpunten van de regering. Eindelijk is het zover.

Vanaf aanslagjaar 2019 daalt het gewoon tarief in de vennootschapsbelasting van 33% tot 29%, om vanaf aanslagjaar 2021 verder te dalen tot 25%. Daarnaast geldt geen verlaagd opklimmend tarief meer. Dit wordt vervangen door een verlaagd tarief voor KMO’s van 20% op de eerste schijf van € 100 000. Ook de vereiste voorwaarden, verbonden aan het verlaagd tarief, ondergaan enkele wijzigingen.

Daarbovenop komt nog een aanvullende crisisbijdrage, dewelke tot voor kort 3% bedroeg. Deze crisisbijdrage wordt in een eerste fase verlaagd naar 2% en zal vanaf inkomstenjaar 2020 verdwijnen.

Voorwaarden verlaagd tarief

Net zoals bij de oude regeling, dienen een aantal voorwaarden vervuld te zijn om in aanmerking te komen voor het verlaagd tarief.

  • De aandelen mogen niet voor de helft of meer in het bezit zijn van andere vennootschappen.
  • Enkel vennootschappen die worden aangemerkt als ‘kleine’ vennootschap, zoals voorzien in artikel 15, paragrafen 1 tot 6 W.Venn., komen in aanmerking.
  • De vennootschap wordt niet als financiële vennootschap aangemerkt.
  • De vennootschap dient aan minstens één van haar bedrijfsleiders een minimumbezoldiging toe te kennen. Deze bezoldigingsvoorwaarde geldt echter niet voor startende ondernemingen, gedurende de eerste vier belastbare tijdperken.

Hierna gaan we verder in op de vereiste van minimumbezoldiging.

In de oude regeling was de minimale bezoldiging gelijk aan € 36 000. Deze is in de nieuwe regeling opgetrokken naar € 45 000. Wanneer het belastbaar resultaat van het belastbaar tijdperk echter lager blijkt te zijn dan € 45.000, dan geldt deze minimumgrens van € 45.000 niet. In dergelijk geval, moet de bezoldiging minstens even hoog zijn als dit belastbaar resultaat.

Onder resultaat wordt het bedrag begrepen waarop de vennootschapsbelasting berekend wordt, na toepassing van de aftrekbewerkingen (DBI, vorige verliezen,…).

Berekening minimale bezoldiging

Stel u kent zich als bedrijfsleider een bezoldiging toe van € 36 000, terwijl het fiscaal resultaat bijvoorbeeld € 42 000 bedraagt. Deze bezoldiging volstaat niet om in aanmerking te komen voor het verlaagd tarief, daar deze minder bedraagt dan de minimale bezoldiging van € 45 000 en niet minstens gelijk is aan het resultaat van € 42 000.

In welke mate dient u uw huidige bezoldiging te verhogen?

Hiervoor gaat u als volgt te werk: u telt uw bezoldiging en het resultaat op, en deelt dit bedrag door twee, zijnde (€ 36 000 + € 42 000)/2 = € 39 000. Dit is de bezoldiging waarbij de bezoldigingsvoorwaarde voldaan is.

De bezoldiging zal minstens gelijk moeten zijn aan het resultaat, aangezien de bezoldiging lager is dan € 45 000. Door een bijkomende bezoldiging toe te kennen van € 3 000, zal het resultaat immers met € 3 000 dalen. Hierdoor zijn het resultaat (€ 42.000 -€ 3.000 = € 39.000) en de nieuwe bezoldiging (36.000 + € 3.000 =€39.000) gelijk aan elkaar.

Om te bepalen hoe hoog de minimale bezoldiging moet zijn, kan men uitgaan van het fiscaal resultaat voor de aftrek van de bezoldiging en na alle bewerkingen. Hierbij kunnen zich drie situaties voordoen:

  • Het resultaat bedraagt 0 => geen bezoldiging vereist (0/2 = 0)
  • Het resultaat is kleiner dan € 90 000 => minimale bezoldiging is gelijk aan resultaat/2.
  • Het resultaat is groter dan € 90 000 => wettelijke minimumbezoldiging van € 45 000 is vereist.

Wat indien de bezoldigingsvoorwaarde niet voldaan is?

Naast het wegvallen van het verlaagd tarief, wordt er nog een bijkomende sanctie toegekend voor elke vennootschap die geen of te weinig bedrijfsleidersbezoldiging uitkeert. Het betreft een afzonderlijke aanslag van 5,1% op het tekort aan uitgekeerde bezoldiging, zijnde het verschil tussen de bezoldiging die u had moeten toekennen en de werkelijk toegekende bezoldiging. Vanaf aanslagjaar 2021 bedraagt deze sanctie 10%. De afzonderlijke aanslag is als beroepskost aftrekbaar.

Zoals reeds gezegd wordt de afzonderlijke aanslag berekend op de bezoldiging die u in principe had moeten toekennen om te voldoen aan de bezoldigingsvoorwaarde, en niet automatisch op de wettelijke limiet van € 45 000. Voor de berekening kunnen we op dezelfde wijze te werk gaan als hiervoor.

Stel u kent zich een bezoldiging toe van € 10 000 en de vennootschap heeft een resultaat van
€ 50 000. De som van uw bezoldiging en het resultaat bedraagt € 60 000. Door dit bedrag te delen door twee, bekomen we de minimale bezoldiging die u zich in principe had moeten toekennen om te voldoen aan de voorwaarde inzake bezoldiging, zijnde € 30 000.

De grondslag voor de afzonderlijke aanslag is dan gelijk aan het verschil tussen € 30 000 en € 10 000, zijnde € 20 000. De afzonderlijke aanslag bedraagt dus € 1 020 (5,1% van € 20 000).

Inwerkingtreding

De nieuwe regeling treedt in werking vanaf aanslagjaar 2019, verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste start vanaf 1 januari 2018. Voor aanslagjaar 2018 is nog steeds de vorige wetgeving in de vennootschapsbelasting van toepassing.

Strategica - Nieuwe bezoldigingsvoorwaarde voor verlaagd vennootschapstarief
"We hebben Strategica gevonden. Zij hebben ons glashelder de do's en dont's uitgelegd."
De Paepe – Landegem

Schrijf u snel in voor onze nieuwsbrief